Kenmerken/omschrijving van de jeugdhulpvraag

  1. Veel voorkomende, complexe problematiek, hoofdzakelijk gelegen binnen het jeugddomein onderverdeeld in laag-, midden- en hoog complexe problematiek, en/of intensieve begeleiding gericht op ontwikkeling.
  2. Effect van de ondersteuning wordt primair via ambulante trajecten behaald, die bestaan uit effectieve, methodische interventies.
  3. Een ondersteuningstraject (diagnostiek/screening en behandeling en/of begeleiding) wordt vanuit de verschillende benodigde disciplines integraal aangeboden.
  4. De regie over het zorgtraject vindt door het eigen systeem plaats. Als dit niet mogelijk is, dan voert één van de betrokken Opdrachtnemers de casusregie als onderdeel van de behandeling/begeleiding. Als in hoog-complexe casuïstiek casusregie noodzakelijk is, kan dit apart worden toegewezen. Als er sprake is van een maatregel, ligt de casusregie bij de Gecertificeerde Instelling.
  5. Ambulante Ondersteuning duurt in beginsel maximaal 1 jaar
  6. Verblijf is mogelijk, maar altijd kort en een tijdelijke afgeleide van de ambulante hulp.

 

Afbakening hoog- midden- en laagcomplexe jeugdhulpvragen:

 

Hoog, met meerdere contactmomenten per week, (2 of meer):

Weinig beschermende factoren en veel risicofactoren.

  1. Meervoudige complexe vraag van de jeugdige en het pedagogisch systeem.
  2. Beperkte zelfstandigheid en daardoor deskundige sturing nodig.
  3. Beperkte of weinig motivatie bij Cliënt.
  4. Onvoorspelbaarheid in gedrag en ondersteuning behoefte.
  5. Er zijn veiligheidsrisico’s aanwezig.

 

Midden, met enkele contactmomenten per week (1 tot 2 per week):

  1. Beschermende en risicofactoren zijn in gelijke mate aanwezig.
  2. Meervoudige vraag van de Cliënt en het pedagogisch systeem.
  3. Zelfstandigheid van de Cliënt is niet vanzelfsprekend en er is bijsturing vereist.
  4. Goede motivatie bij Cliënt niet vanzelfsprekend.
  5. Geen of nauwelijks veiligheidsrisico’s.

 

Laag, met een lage frequentie contactmomenten (enkele contactmomenten per maand tot 1 per week):

  1. Veel beschermende factoren en weinig risicofactoren.
  2. Enkelvoudige vraag van de jeugdige en het pedagogisch systeem.
  3. Hoge mate van zelfstandigheid, maar bijsturing gewenst.
  4. Goede motivatie bij Cliënt.
  5. Veiligheid niet in geding